Zweminstructeur? wees een coach!

Instructeur is mij te mager voor het vak van zwemonderwijzer. Ik vind dat zwemonderwijzers veel meer zijn dan instructeur! Regelmatig maak ik in zwembaden een Zwem Scan van de kwaliteit van de zwemlessen. Het valt mij steeds op met hoeveel inzet en passie zwemonderwijzers hun werk doen. Sommige doen het al jaren en gaan er steeds weer tegen aan met een nieuwe groep kinderen. En er wordt veel productie gevraagd. Vaak aan alle kanten kijkende ogen van ouders, collega’s, temleider en management. Zwemonderwijzer zijn is een onderschat vak. De arbeidsomstandigheden zijn behoorlijk zwaar en heel rijk in geld word je er niet van. Het is een lastig vak. Je moet in een les alles goed doen zowel technisch als methodisch en pedagogisch en daarbij zijn de tijden veranderd. Aspecten en keuzen die je vroeger gewoon vond zoals 1 voor 1 werken, standaard een kurk om, plankje in de handen, staan nu ter discussie. Maar je wordt wel rijk aan ervaringen. Je kunt iets betekenen voor kinderen die soms in een voor hen onprettige situatie zitten.

Zwemcoaches

We kijken anders naar de zwemles en de gedachte die bij veel betrokkenen leeft, is dat hedendaags zwemonderwijs er anders uit moet zien dan 20 jaar geleden. Gose van der Weert, de teamleider van het Sportfondsenbad Oost in Amsterdam, noemt zijn zwemonderwijzers dan ook ‘zwemcoaches’. Van der Weert zegt dat zijn zwemcoaches het kind coachen naar hun zwemdiploma. Dat vind ik wel een heel mooi uitgangspunt. Van der Weert bedoelt dan wel een goede coach natuurlijk! Dus iemand die kijkt naar een kind en dan precies het kind geeft wat het nodig heeft. Het kind niet lastig valt met een uitleg over de schoolslag combinatie als het kind nog geen enkelvoudige rugslag kan en mee ‘mag luisteren’ met de kinderen die deze uitleg wel nodig hebben. Met de hoop dat het kind er misschien iets uithaalt.

Lees ook: Geef jij zwemles of doe jij aan curling?

Hoe?

Hoe kun je je meer gaan gedragen als coach? Dat kun je doen door het moment van instructie heel kort maken. Je geeft de instructie: je geeft de opdracht en dan gaan de kinderen die opdracht uitvoeren. Waarschijnlijk werk je al in groepjes met verschillende opdrachten. Jij weet het allerbeste welke oefenstof een kind precies nodig heeft om beter te worden met zwemmen. Jij kijkt naar het bewegen van het kind en gaat dan coachen. Het lijkt simpel en volgens mij is het dat ook. Maak het dus niet moeilijker dan noodzakelijk is. Het zou mooi zijn als je de fasen van het motorisch leerproces koppelt aan de fase waarin een kind zich bevindt in het leerproces.

Motorisch leerproces

Fasen van het motorisch leerproces
1. Ervaren en experimenteren
2. Oefenen en aanleren
3. Automatiseren en toepassen
Bij ervaren en experimenteren gaat het vooral over impliciet leren en val een kind niet lastig met techniek en allerlei correcties op de ervaringen die het kind aan het opdoen is. Bij het oefenen en aanleren ga je oefenen over kleine stukjes die langzaam iets langer worden met veel individuele verschillen. Als het op automatiseren en toepassen aankomt, wordt de afstand vergroot en het water dieper.

Een goede coach maakt zijn pupil beter. Hij weet precies wat zijn leerling nodig heeft om te verbeteren. Logischerwijs zullen dan zelden alle kinderen hetzelfde aan het oefenen zijn, dezelfde slag, dezelfde afstand, hetzelfde aantal keer en de gelijke afzethoogte. Wees een coach, doe als een coach en de ouders zullen je ook als coach zien!

Deze column van Leone Hamaker verscheen eerder in ZwembadBranche

 
 RBI Corrosion