Communiceren lastig? Zo kun je beter een gesprek voeren

De maatschappij wordt mondiger. Zwemouders geven vaak aan dat zij de behoefte hebben aan regelmatig persoonlijk contact met de lesgever. Daarom zie je vaak dat de kijklessen wat langer langer duren en ouders regelmatig ook even binnen mogen lopen. Ook de communicatie met kinderen verandert. Het kan dan ook best lastig zijn om een gesprek – of het nu gaat om ouders, kinderen of collega’s – echt goed te voeren. Als steun in de rug is het goed om te kijken naar 3 belangrijke facetten. Claartje Driessen zet deze even op een rijtje.

1. Ervaringsgerichte dialoog

Belangrijk is het het theoretisch kader van de ‘ervaringsgerichte dialoog’ het communiceren en relateren met kinderen besproken en geoefend. Deelnemers leren dat zij kunnen reageren vanuit ‘echtheid’ (vanuit een oprecht gevoel: blij, teleurgesteld, boos), vanuit ‘inleving’ (je probeert erachter te komen wat er in het kind omgaat) of vanuit ‘aanvaarding’ (je accepteert zonder meer wat het kind zegt en doet). Vervolgens gaat men herkennen wat meestal hun instinctieve reactie is en ook hoe zij deze kunnen ombuigen als dat nodig is.

2. Doorvragen

Ook het communiceren met ouders speelt een rol. De valkuil is vaak dat de vraag van de ouder niet altijd goed wordt ingeschat waardoor het antwoord als onvolledig wordt ervaren. De vraag: ‘wanneer mag Tim afzwemmen?’ wordt vaak beantwoord met een meer technische uitleg. Deze berg aan informatie is soms overbodig en dat weet je pas als je bij de ouder gaat vragen wat hij met de vraag bedoelt. Zijn er misschien zorgen over de ontwikkeling omdat dit op school ook wordt gesignaleerd? Of is er misschien sprake van frustratie? Pas wanneer je ‘door’ gaat vragen kun je met de ouder bespreken wat er op dat moment echt toe doet en daardoor zal het gesprek voor beiden veel prettiger verlopen.

Lees ook: Een goed gesprek met ouders of collega’s? Praten begint met luisteren!

3. Het geven van feedback

Tot slot het het geven van feedback, hetgeen vaak als ‘spannend’ wordt ervaren. Men is vooral bang om de relatie met de ander te schaden en dus zegt men ‘dan maar niets’. Voor de lange termijn is het beter om een sfeer te maken waarin het lukt om te praten mét elkaar en niet óver elkaar. Een mooi kader daarvoor wordt beschreven in het boek van Jan Koert (‘Wat je vindt, mag je houden’) over ‘verbindend communiceren’. Hij zegt dat het vaak fout gaat als we tegen de ander gaan vertellen wat we ‘ervan vinden’. Als we beginnen met: ‘ik vind…’ komt er bijna altijd iets achteraan dat de ander kan ervaren als een oordeel. Het wordt makkelijker als je kunt waarnemen zonder oordeel. Het is een kunst om veroordelende gedachtes te herkennen en vervolgens ‘wat je ervan vindt’ voor jezelf te houden. Maar als dat je lukt wordt het geven van feedback wel veel makkelijker.




Variodeck