Vandaag publiceerde CBS de verdrinkingscijfers van 2025. In het afgelopen jaar kwamen 100 inwoners van Nederland en 32 toeristen en (arbeids)migranten om door accidentele verdrinking. Dertien minder dan het jaar daarvoor, iets onder het gemiddelde van de afgelopen vijf jaar. Dat lijkt goed nieuws, maar het zijn er nog steeds te veel. Daarnaast zijn er ook zorgen, want het aantal ouderen dat verdrinkt neemt toe en niet alle kinderen hebben evenveel kans om hun zwemdiploma’s te halen.

Bron CBS
Investeren zwemonderwijs
Tot diep in de twintigste eeuw waren kinderen de grootste risicogroep bij verdrinking. In de jaren vijftig stierf nog meer dan één op de tienduizend kinderen onder de tien jaar door verdrinking. Inmiddels is dit gedaald. Toch is er reden voor waakzaamheid, niet alle kinderen hebben evenveel kans hebben om hun zwemdiploma’s te halen. De verschillen zijn hardnekkig en grotendeels onveranderd de laatste jaren. Zwemvaardigheid is bovendien geen statisch gegeven: kinderen die lang niet zwemmen verliezen conditie en techniek. Blijvende investering in zwemonderwijs is daarom noodzakelijk, ook als de verdrinkingscijfers onder kinderen dalen. Elke verdrinking is er één te veel.
Overschatting bij senioren
Daarnaast zien we de laatste jaren een andere, hardnekkige trend. De groep van 60 jaar en ouder is al jaren de grootste categorie slachtoffers. In 2025 viel 41 procent van alle verdrinkingsdoden in deze leeftijdsgroep. Omgerekend per 100.000 inwoners is het sterftecijfer het hoogst onder 60-plussers: 0,8, tegenover 0,2 bij kinderen onder de tien. De KNMR stelt het onomwonden: ouderen worden in campagnes en voorlichting nog te weinig direct aangesproken, terwijl zij de groep zijn die het hardst wordt geraakt. Conditie, spierkracht en reactiesnelheid nemen af met de jaren, zonder dat het zelfvertrouwen in het water altijd meebeweegt. Iemand die op zijn veertigste probleemloos een eind zwom, maakt op zijn zeventigste dezelfde inschatting, maar beschikt niet meer over hetzelfde lichaam. Het gaat niet om mensen die zorgeloos risico nemen, maar om mensen die een verkeerde inschatting maken. Ook medicijnen kunnen de alertheid verder beïnvloeden. En ouderen recreëren vaker alleen: langs een kanaal, op een sloep, bij een plas, zonder iemand die kan ingrijpen als het misgaat.
Lees ook: Diplomabezit kinderen: zwemvaardigheid groeit, maar ongelijkheid blijft
Waar het misgaat
De meeste verdrinkingen vinden niet plaats in zee of een zwembad, maar in sloten, rivieren, kanalen en grachten, ruim de helft van alle gevallen in de afgelopen vijf jaar. Alledaags water, op vertrouwde plekken, zonder toeschouwers of reddingslijn. Tegelijk de omgeving die het minst in ons beeld van gevaarlijk water past. Betrokken partijen pleiten dan ook voor meer structureel toezicht bij open binnenwater als aanvulling op bestaande veiligheidsmaatregelen. Het is ook de omgeving waar ouderen en zelfs geoefende zwemmers in de problemen kunnen komen. Open water is begin zomer vaak nog gevaarlijk koud, krampen en onderkoeling kunnen binnen enkele minuten optreden, ook bij mensen die hun hele leven hebben gezwommen. Stromingen zijn onvoorspelbaar en sterker dan ze eruitzien. Veel ongelukken zijn te voorkomen door bewust gedrag: het inschatten van risico’s, rekening houden met temperatuur en stroming, en het vermijden van overmoed. Want het is zelden roekeloosheid die mensen in gevaar brengt, het is een verkeerde inschatting waar het misgaat.
Bewustwording
De landelijke campagne Wie checkt jou? Veilig in en uit het water stelt daarom precies de goede vraag: wie let er op jou als jij het water ingaat? Het is een vraag die mensen aanspoort om vóórdat ze het water op of in gaan na te denken over de mogelijke gevaren. Wat zijn de omstandigheden zoals het weer, de temperatuur, de stroming? Is er iemand die weet waar je bent, en die kan ingrijpen als het misgaat? Die vragen zijn eenvoudig, maar ze worden te zelden gesteld. Betrokken organisaties pleiten daarom voor campagnes die ouderen rechtstreeks aanspreken, en voor een gezamenlijke, structurele aanpak waarbij partijen de handen ineenslaan, niet incidenteel, maar blijvend. Want vhet gaat ons allemaal aan. Een zwemdiploma is en blijft het beginpunt. Maar steeds opnieuw kunnen inschatten wat de risico’s zijn en wat de eigen competenties zijn, is minstens zo belangrijk. Dat betekent blijven investeren in educatie, voorlichting en zwemvaardigheid. Ook ná het behalen van een diploma.
Lees hier het bericht van CBS

