Zo krijg je de jeugd weer naar het zwembad

Hoe zorgen we dat de jeugd blijft bewegen? Het is de vraag die centraal staat in het Erasmus+Sport-project ‘Keep Youngsters Involved’. Het is natuurlijk belangrijk dat de jeugd blijft sporten. Het is gezond en de kans is ook groter dat men op latere leeftijd blijft bewegen. Maar hoe zorg je dat de jeugd niet afhaakt, zeker pubers? En nog belangrijker voor onze branche: dat ze blijven zwemmen?

‘Skihelling’

In Nederland is men al wel langer bezig met deze vraag aangezien de trend overduidelijk dalende is. De uitval van jongeren typeert men als een skihelling: een piek gevolgd door een grote daling. En dat is zeker niet iets typisch Nederlands. De landen die samenwerken in ‘Keep Youngsters Involved’ herkennen zich allemaal in deze problemen. In hoofdlijnen komen de redenen voor het stoppen met sporten in de leeftijdscategorie van 12 tot 19 jaar allemaal op hetzelfde neer: gebrek aan motivatie, problemen met school, geen leuke trainer of coach, een bijbaan of verschillende interesses. Uiteindelijk zijn er binnen het project veertien factoren benoemd waarvan is aangetoond dat die een belangrijke rol spelen in het voorkomen van sportuitval bij jongeren en hoe je deze kunt voorkomen. Dus wil jij de jeugd meer betrekken bij het zwembad? Lees dan deze 14 tips!

De veertien factoren

  1. Autonomie. Zorg dat de jongere een gevoel van vrijheid krijgt. Geef keuze van eigen acties, gedachten en gevoel bij het sporten. Geef jongeren de mogelijkheid om initiatief te nemen en laat ze zelf de regie nemen en zichzelf organiseren.
  2. Waargenomen competentie/zelfwerkzaamheid. Elke jongere wil vertrouwen hebben in zijn vermogen om een uitdagende taak of een van tevoren gesteld doel te bereiken. Jongeren willen zelfvertrouwen hebben in het onder de knie krijgen van specifieke vaardigheden of in het beheersen van een uitdagende situatie.
  3. Verwantschap. Elke jongere wil het gevoel hebben dat hij is opgenomen in het team of onderdeel is van de club. Jongeren moeten zelf en met anderen een gevoel van warmte, genegenheid, veiligheid en acceptatie voelen.
  4. (Taak)klimaat. Elke jongere wil positieve aanmoediging en waardering krijgen vanuit de omgeving wanneer hij hard werkt, vooruitgang in ontwikkeling laat zien, leert door samenwerking en erin gelooft dat ieders bijdrage belangrijk is.
  5. Tijd/doel-conflict. Elke jongere wil zijn tijd zo kunnen organiseren dat het mogelijk is om te blijven sporten en bewegen. Bied activiteiten aan op geschikte, flexibele en toegankelijke tijdstippen voor jongeren, zodat ze kunnen blijven deelnemen. Houd hierbij zo veel mogelijk rekening met de verschillende niveaus van de sportbeoefening van de jongeren (recreatief, gevorderd en selectie).
  6. Kosten. Elke jongere moet in staat zijn om de kosten te betalen om betrokken te blijven en mee te kunnen doen aan sport. Houd de kosten voor jongeren laag, zodat dit geen belemmering.
  7. Verwachtingen. Elke jongere wil weten en begrijpen wat hij kan verwachten. Het gaat om duidelijke verwachtingen op lichamelijk, sociaal en mentaal vlak. Houd rekening met het verschil in verwachtingen van jongeren afhankelijk van leeftijd, geslacht en sociaaleconomische status.
  8. Lees ook: Jeugd beweegt steeds slechter: tijd om te zwemmen!

  9. Waarden. Elke jongere zou moeten geloven in de waarde van sport en bewegen: weten dat het belangrijk is om te sporten en te bewegen in je leven. Sportaanbieders kunnen het nut van deelnemen aan sport en bewegen onder de aandacht brengen.
  10. Relatie trainer-jongere. Elke jongere wil een effectieve relatie hebben met de trainer en/of coach. Denk aan basisingrediënten zoals empathisch vermogen, eerlijkheid, ondersteuning, het leuk vinden, aardig zijn, acceptatie, reactief zijn, samenwerken, zorgzaamheid, respect en positief inzicht.
  11. Peer-betrokkenheid. Elke jongere wil samen met vrienden de sport kunnen beoefenen. Jongeren moeten door andere spelers aangemoedigd worden en vice versa. Jongeren willen niet gepest worden of een vervelend gevoel krijgen als ze deelnemen. Bied mogelijkheden aan waarin jongeren interactie hebben met elkaar en vrienden kunnen maken, formeel (georganiseerd, gepland en geëvalueerd) en informeel (niet gepland).
  12. Ouder-autonomie support. Elke ouder/verzorger zou zijn kind moeten aanmoedigen om aan sport en bewegen te doen en te ondersteunen (transport, materiaal, etc.) waar mogelijk. Kom ouders hierin tegemoet door het beoefenen van de sport niet te duur te maken en aantrekkelijk te zijn voor gezinnen.
  13. Preventief beleid. Elke club zou beleid moeten hebben tegen uitval van jongeren gebaseerd op de factoren die dit veroorzaken. Een club zou drop-out van jongeren moeten willen voorkomen. Jongeren kunnen ambassadeurs zijn voor deelname en voortdurend betrokken kunnen worden bij de club.
  14. Toegankelijkheid. De sportaccommodatie moet veilig en gunstig gelegen zijn, zodat iedere jongere deze kan bereiken en zich er veilig en geaccepteerd voelt.
  15. Type sport of aanbod. Elke jongere wil een sport kunnen beoefenen die hij leuk vindt en deze sport op zijn niveau (recreatief of competitief) kunnen beoefenen, waar hij zich het prettigste bij voelt. Dat betekent inzetten op combinaties van sporten, een naschools sportaanbod of een innovatief aanbod. Daarnaast houden jongeren van nieuwe activiteiten, trends en ontwikkelingen.

Kijk voor meer informatie bij Alles over sport




Hellebrekers