‘Op school leer je toch ook gewoon schrijven?’

Zwemvaardigheid van kinderen is niet alleen de verantwoordelijkheid van de ouders, maar zeker ook van de overheid. Dit is één van de aanbevelingen uit het rapport ‘Ik wil dat mijn kind leert zwemmen…’ dat is uitgevoerd door het Mulier Instituut in opdracht van de Vereniging Sport en Gemeenten. Ester Wisse, één van de betrokken onderzoekers
en werkzaam bij het Mulier Instituut, benadrukt dat het de zwemvaardigheid zeker goed zou doen wanneer de overheid meer zijn verantwoordelijkheid zou nemen. ‘Zwemmen zou een eindterm kunnen zijn binnen het bewegingsonderwijs. Net zoals rekenen en schrijven nu ook eindtermen zijn.’

Het onderzoek ‘Ik wil wel dat mijn kind leert zwemmen’, kijkt naar de factoren die de zwemvaardigheid beïnvloeden en de rol van allochtone ouders. Hierbij staat de relatie tussen zwemvaardigheid en etnisch-culturele, structurele en beleidsfactoren centraal. Voortbouwend op eerdere studies naar dit thema is ingezoomd op de vraag welke factoren van invloed zijn op de zwemvaardigheid van kinderen.

Succes stimuleringsregeling
Eind jaren negentig bleek dat de zwemvaardigheid van kinderen erg was verslechterd, vooral onder allochtone kinderen. Een zorgwekkende situatie voor een waterrijk land als
Nederland. Hoewel een directe relatie tussen zwemvaardigheid en het aantal verdrinkingsgevallen nog niet is aangetoond, is het zeer aannemelijk dat een goede zwemvaardigheid bijdraagt aan een vermindering van verdrinking. Het belang van zwemvaardigheid in het kader van het verhogen van de veiligheid is dus groot. Dit is onder andere de reden geweest dat de landelijke overheid in 2002 is begonnen met het ondersteunen van een 35-tal gemeenten om de zwemvaardigheid onder de kinderen te verbeteren. De bekende stimuleringsregeling zwemvaardigheid, ook wel vangnetregeling genoemd. Onder meer is hierbij aandacht besteed aan het schoolzwemmen, een activiteit die sinds 1985 geen vanzelfsprekendheid meer is. Het percentage scholen dat schoolzwemmen aanbiedt, is dan ook gedaald van 90% in 1990 naar 57% beginjaren 2000. In 2005 is de stimuleringsregeling beëindigd, mede omdat de effecten hiervan destijds niet goed konden worden aangetoond. Uit het onderzoek van het Mulier Instituut blijkt nu dat de stimuleringsregeling wel degelijk een bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van de zwemvaardigheid. Een vergelijking tussen gemeenten die aan de vangnetregeling hebben meegedaan en overige gemeenten, laat zien dat de gemeentelijke ondersteuning geleid heeft tot een forse toename van de zwemvaardigheid onder allochtone scholieren. Waar in vangnetgemeenten de zwemvaardigheid onder allochtone kinderen tussen 2003 en 2007 toenam van 63 naar 77%, nam deze in niet-vangnet gemeenten af van 83 naar 75%. Reden dus vooral om niet te stoppen met het stimuleren van de zwemvaardigheid. Temeer ook omdat de zwemvaardigheid onder allochtone kinderen nog beduidend lager is dan onder autochtone kinderen. In 2007 had 90% van de autochtone kinderen tussen 6 en 15 jaar een zwemdiploma tegenover driekwart van de allochtonen. Met name onder kinderen van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst en kinderen met een vluchtelingen achtergrond, is de zwemvaardigheid laag.

> Lees verder in de digitale uitgave van ZwembadBranche

 
 Pomaz