Zwemkampioenen in de dop in kiem gesmoord?

Rie Mastenbroek, Ada Kok, Inge de Bruin, Pieter van den Hoogenband, Marleen Veldhuis, Maarten van der Weijden, wie kent deze grote namen niet? De meest Olympische medailles voor Nederland worden behaald in het water. En dan rekenen we het bevroren water van de Winterspelen nog niet eens mee.Voor de Olympische ambitie, om tot de beste acht van de wereld te behoren, zijn we sterk afhankelijk van onze zwemprestaties.
We hebben altijd een grote voorsprong op andere landen gehad, doordat nagenoeg iedereen als kind leerde zwemmen. Hierdoor kunnen zwemtalenten zich al vroeg ontwikkelen. Het is echter niet langer voor alle kinderen in Nederland vanzelfsprekend om op jonge leeftijd te leren zwemmen. Het is dan ook sterk de vraag of wij in de toekomst de voorsprong op andere landen weten te behouden.

De zwemvaardigheid van de kinderen loopt terug, zo constateerde de Reddingsbrigade Nederland. Deze terugloop is echter lastig in kaart te brengen, omdat niet van ieder kind in Nederland bekend is of en welke zwemdiploma’s hij/zij bezit. Wel raar, als je bedenkt dat de naam en geboortedatum van de kinderen op de diploma’s staan en ze persoonlijk worden uitgereikt door de zwemlesaanbieder. Gelukkig komt daar nu, als het goed is, dankzij het plan ‘Waterdicht’ van VSG verandering in (zie in het vorige nummer de bijdrage van Harold van der Werff en André van Kesteren). Maar met registratie alleen verbetert de zwemvaardigheid natuurlijk niet. Met het project ‘Waterdicht’ wil VSG ook bereiken dat alle kinderen in Nederland de basisschool verlaten met het volledige ABCzwemdiploma.

Schoolzwemmen wegbezuinigd
In 2009 stelde het Mulier Instituut op basis van het aanvullend voorzieningengebruik onderzoek van het SCP reeds vast dat allochtone kinderen en kinderen uit lagere sociaal-economische posities minder zwemvaardig zijn. Ouders van kinderen in kansarme posities ervaren vaak financiële en andere belemmeringen om kinderen in te schrijven voor particuliere zwemlessen. Hierdoor zijn deze kinderen in grotere mate afhankelijk van schoolzwemmen voor het behalen van zwemdiploma’s (Wisse et al. 2009). Maar lang niet alle scholen bieden nog schoolzwemmen aan. In 1991 ging het om 90 procent van de scholen, teruglopend tot 57 procent in 2005 en 50 procent in 2009. Dit laatst genoemde percentage is gebaseerd op het onderzoek School, Bewegen en Sport, een grootschalig onderzoek onder een representatieve groep van scholen en leerlingen in Nederland, dat het Mulier Instituut in 2009 uitvoerde (Stuij et al. 2011). Het percentage geeft weer hoeveel scholen nog enige vorm van schoolzwemmen aan een deel van de leerlingen aanbieden. Het wil dus niet zeggen dat alle leerlingen die op deze scholen zitten via het schoolzwemmen in staat worden gesteld om één of meerdere zwemdiploma’s te behalen. In sommige gevallen zal het ook gaan om natte gymnastieklessen of kennismakingslessen via zwemverenigingen. De helft van de basisscholen doet helemaal niets met zwemmen. Verreweg de belangrijkste reden voor scholen om geen schoolzwemmen aan te bieden is het gemeentelijk beleid (zie tabel 1).
De afgelopen maanden stond het schoolzwemmen onder andere ter discussie in de gemeenten Groningen, Alkmaar en Heerhugowaard. Eerder werd het al wegbezuinigd in Assen, Leeuwarden en Hoorn. Gelet op de nog aanstaande bezuinigingen en hieraan gerelateerde voornemens van gemeenten om het schoolzwemmen af te schaffen, lijkt het erop dat schoolzwemmen een zeldzaamheid gaat worden.

Lees het hele artikel in ZwembadBranche nr.27

 
 Pomaz