Onderzoek wijst uit dat bij bijna alle zwemorganisaties mensen met een beperking sporten

Bij bijna alle zwemorganisaties sporten mensen met een beperking en ongeveer de helft heeft voor hen aparte groepen of speciale uren. Dit blijkt uit onderzoek van het Mulier Instituut in opdracht van ‘Grenzeloos actief’ onder sportverenigingen, zwemorganisaties en fitnesscentra. Men wilde vooral weten op welke wijze het sportaanbod voor sporters met een beperking wordt georganiseerd en welke factoren een stimulerende of belemmerende rol spelen. Een van de conclusies is in iedergeval dat de bereidheid onder zwembaden om deze groep te verwelkomen groot is.

Kinderen

Bij de zwemorganisaties, waaronder zwembaden, verenigingen en zwemscholen, (90%) sporten mensen met een beperking (hieronder wordt verstaan mensen met een lichamelijke en verstandelijke beperking, gedragsproblemen en een chronische aandoening). Bij zwemorganisaties heeft ongeveer de helft aparte groepen of speciale uren voor hen (49%). Opvallend is wel dat het vaak kinderen betreft. Een logische verklaring hiervoor is dat bijna alle Nederlandse kinderen op zwemles gaan. Je ziet ook dat voor de meeste beperkingen vaker een aparte zwemles wordt georganiseerd dan een aparte overige zwemactiviteit. Alleen voor sporters met een chronische aandoening wordt vaker een aparte overige zwemactiviteit georganiseerd.

Structureel ingebed

Bij de meerderheid van de zwemorganisaties is het aanbod voor mensen met een beperking structureel ingebed. Meestal zijn één of meer vaste personen binnen de organisatie hiervoor verantwoordelijk. Ruim de helft van de zwemorganisaties (56%) heeft één of meer speciaal opgeleide/gekwalificeerde instructeurs in dienst. Zwemorganisaties zetten deze speciaal opgeleide instructeurs met name in bij activiteiten/lessen (56%) en minder tijdens het vrij zwemmen (10%). Bij de meeste zwemorganisaties (43%) is het aanbod structureel doordat één of meer vaste personen binnen de organisatie verantwoordelijk hiervoor zijn of door een structurele samenwerking met andere partijen (24%).

Lees ook: Praktische tips voor bewegen met een beperking

Vrijzwemmen

Omdat zwemmen een veel beoefende individuele sport is, los van een groep of les, is aan zwemorganisaties de aanvullende vraag gesteld of sporters met een beperking zelfstandig ‘vrij’ mogen en kunnen zwemmen, met of zonder begeleider. De meeste zwemorganisaties vinden het geen probleem wanneer zij zonder begeleider komen zwemmen. Dit geldt dan met name voor sporters met gedragsproblemen (80%). Maar ook sporters met een lichamelijke of verstandelijke beperking zijn bij een ruime meerderheid van de zwemorganisaties welkom om zelf ‘vrij’ te komen zwemmen (respectievelijk 66% en 56%).

Enkele conclusies

  • Voor het opzetten van een aanbod voor sporters met een beperking willen zwemorganisaties graag opleidingsmogelijkheden en cursussen voor instructeurs (13%) en ondersteuning in het vinden van subsidies of investeerders (13%).
  • Succesfactoren zijn volgens zwemorganisaties vooral niet zomaar te starten met (aangepast) aanbod maar het eerst goed te doordenken, apart aanbod op te richten met kleinere groepen, voldoende begeleiding, een goed netwerk en samenwerking.
  • Sporters met een beperking doen vaker mee aan zwemlessen (83%) dan aan overige zwemactiviteiten zoals groepslessen, privélessen en doelgroep activiteiten (72%). Daarnaast blijkt dat bij de zwemlessen relatief veel sporters met gedragsproblemen participeren ten opzichte van de andere zwemactiviteiten (respectievelijk 77% en 44%) en relatief weinig mensen met een chronische aandoening (respectievelijk 47% en 47%).
  • Met name zwemorganisaties hebben vaak één of meer aanpassingen gedaan, de reden dat zwemorganisaties vaak aanpassingen doen voor sporters met een beperking is niet bekeken in dit onderzoek, maar komt wellicht doordat zwemmen vaak grotere veiligheidsrisico’s met zich meebrengt zoals verdrinking.
  • Zwemorganisaties doen vaak aanpassingen in de groepsgrootte (50%), het aantal begeleiders en instructeurs (46%) en de watertemperatuur (42%).
  • Bij zwemorganisaties komt het initiatief het vaakst van het management/bestuur (52%), de naasten van sporters met een beperking (32%), mensen met een beperking zelf (17%) en externe partijen (de gemeente 16%, zorginstellingen 17% en de lokale/provinciale sportservice 4%).
  • De meeste zwemorganisaties (83%) vinden dat ze mensen met een beperking kunnen leren hoe ze veilig en zelfredzaam in het water worden, ook als deze mensen niet kunnen voldoen aan de eisen voor de zwemdiploma A.

Lees voor meer informatie het rapport ‘De organisatie van sportaanbod voor mensen met een beperking – Stand van zaken bij sportverenigingen, zwemorganisaties en fitnesscentra’.