Naar een nieuwe normstelling voor zwemwater

Onlangs is gestart met het project ‘Van Whvbz naar Zwemwaterwet’. Daarbij is het de intentie om de Wet Hygiëne en Veiligheid Badinrichtingen en Zwemgelegenheden (Whvbz) te vervangen door een nieuwe wet, de Zwemwaterwet. Een belangrijk aspect van de wetgeving is de kwaliteit van het water in zwembaden. In het kader van de herziening van de wetgeving is het nodig om de nu op grond van het Besluit Hygiëne en Veiligheid Badinrichtingen en Zwemgelegenheden (Bhvbz) gestelde kwaliteitseisen van zwembadwater kritisch tegen het licht te houden.

Het doel van deze studie is een overzicht op te stellen van ideeën voor een geactualiseerde en gemoderniseerde set van normen voor zwemwaterkwaliteit in zwembaden. Deze studie richt zich daarbij uitsluitend op de waterkwaliteit in zwembaden.
Voor deze studie is de volgende aanpak gehanteerd:

  • uitvoeren van een literatuurstudie;
  • een inventarisatie van (gewijzigde) zwembadwaternormering in het buitenland;
  • interviews met deskundigen, kennisdragers en praktijkmensen.

Voor de interviews is een vragenlijst gebruikt die is opgesteld in overleg met de Begeleidingscommissie voor dit onderzoek. Ook de lijst met de in deze studie geïnterviewde personen is opgesteld in overleg met de Begeleidingscommissie.
In de eerste plaats stond het normstellend kader zelf ter discussie, waarbij de voorkeur van het ministerie is om in de nieuwe wetgeving zoveel mogelijk doelvoorschriften te hanteren in plaats van middel- en normvoorschriften. De geïnterviewde kennisdragers beschouwen in algemene zin doelvoorschriften als niet haalbaar. Dat betekent dat ze wel de voordelen inzien van het hanteren van doelvoorschriften, maar gebrek aan kennis en opleidingsniveau onder de beheerders wordt gezien als het belangrijkste knelpunt. Bovendien heeft men op voorhand het idee dat het lastig is om doelvoorschriften te formuleren die SMART zijn, vooral op het gebied van microbiologische en toxicologische zwemwater- en luchtkwaliteit.
In buitenlandse regelgeving wordt ook vrijwel uitsluitend gebruik gemaakt van middel- en normvoorschriften. In die situaties waar in de wetgeving doelvoorschriften zijn opgenomen, worden uiteindelijk toch zwembaden beheerd op basis van richtlijnen, standaarden en ‘code of practices’ die in feite zijn opgebouwd uit vergelijkbare norm- en middelvoorschriften. Adviezen in Frankrijk die zouden moeten leiden tot modernisering van de regelgeving richten zich ook op een uitbreiding van norm- en middelvoorschriften.
Omdat de meeste geïnterviewde kennisdragers over het algemeen wel tevreden zijn over de Bhvbz, zou op grond hiervan kunnen worden geconcludeerd dat de huidige wetgeving in Nederland de beste basis vormt voor nieuwe wetgeving, met aanpassingen daar waar deze niet goed functioneert. Maar het is goed te beseffen dat deze wetgeving historisch is gegroeid met alle beperkingen in kennis en mogelijkheden die destijds golden. Dit heeft geresulteerd in een set middel- en normvoorschriften die voor een deel niet meer aan lijkt te sluiten op het oorspronkelijke doel, namelijk het beperken van de gezondheidsrisico’s van zwemmers. Dit is dan ook een geschikt moment om opnieuw vast te stellen wat de werkelijke doelen zijn ten aanzien van de gezondheidsrisico’s van zwemmers in relatie tot de zwembadwaterkwaliteit. Hiertoe moet eenduidig worden vastgesteld wat maatschappelijk gezien een acceptabel gezondheidsrisico is voor een bezoeker aan een zwembad.
Vanuit een dergelijke basis kunnen waterkwaliteitsdoelstellingen worden geformuleerd en vervolgens adequate middelvoorschriften voor behandeling en verversing van water en lucht in het zwembad worden opgesteld. Een deel van de huidige middelvoorschriften in de Bhvbz zal daarvoor opnieuw als basis kunnen worden gebruikt. Wellicht zullen andere middelvoorschriften overbodig blijken te zijn.
In verband met innovaties zijn een wettelijk vastgelegde en goed afgekaderde ruimte voor het toepassen van alternatief beheer (via een risicoanalyse) en voor meer zelfstandigheid voor de beheerder wenselijk.

Als de daarvoor benodigde ruimte niet wordt gerealiseerd met doelvoorschriften, is het wellicht een optie om de nieuwe wetgeving minder statisch te maken en in analogie met de WHO ‘drinking water guidelines’ te kiezen voor een ‘rolling revision’. Deze studie heeft immers duidelijk gemaakt dat de wetenschap niet stil staat. Er zijn ontwikkelingen te verwachten op het gebied van behandelingstechnologie, sensoren en nieuwe analysemethoden voor micro-organismen en desinfectiebijproducten evenals nieuwe inzichten in het ontstaan van desinfectiebijproducten en de bijbehorende gezondheidsrisico’s.
Meer zelfstandigheid voor de beheerder kan worden gerealiseerd door in de nieuwe wetgeving een verplichting op te nemen voor het vastleggen van het management en beheer per zwembad in een ‘pool safety plan’ zoals geadviseerd door de WHO.
De belangrijkste conclusies van dit onderzoek kunnen als volgt worden samengevat:

  • Nieuwe wetgeving gebaseerd op alleen doelvoorschriften lijkt niet haalbaar omdat bij veel exploitanten kennis ontbreekt. Deze exploitanten hebben vooral behoefte aan concrete middel- en normvoorschriften.
  • Het beheer van zwembaden in het buitenland blijkt uiteindelijk ook vrijwel uitsluitend gebaseerd op middel- en normvoorschriften.
  • Desondanks is dit een geschikt moment om met elkaar vast te stellen wat de doelen zijn ten aanzien van de gezondheidsrisico’s van zwemmers in relatie tot de zwembadwaterkwaliteit als fundament voor de nieuwe regelgeving.
  • In de nieuwe regelgeving moet – ook bij het gebruik van uitsluitend middel- en normvoorschriften – ruimte worden ingebouwd voor technologische innovaties en zelfstandigheid van een beheerder.
  • Elk zwembad zou in de toekomst moeten beschikken over een ‘zwembadveiligheidsplan’ opgesteld conform de aanbeveling van de WHO, dat wil zeggen met goede procedures gericht op management en beheer.
  • Goede zwembadwaterkwaliteit gaat verder dan alleen waterbehandeling en monitoring, ook aspecten als de hygiëne van zwemmers buiten het bad, de hygiëne van speeltoestellen, het opstellen van trendanalyses en opleidings- en kennisniveau moeten worden geborgd in de nieuwe wetgeving.

Het viel niet binnen de scope van deze opdracht om de in dit rapport beschreven ontwikkelingen en ideeën op bruikbaarheid te toetsen voor toepassing in de Nederlandse situatie, noch te beslissen over het opnemen ervan in de nieuwe Zwemwaterwet. Hoe dan ook vormen ze een goed startpunt voor verdere discussie bij het vormgeven van de toekomstige regelgeving voor de waterkwaliteit in zwembaden. Om die reden is in hoofdstuk 5 van dit rapport een overzicht opgenomen van de belangrijkste in deze studie geïnventariseerde ontwikkelingen, ideeën en aanbevelingen.

Klik hier voor het hele rapport

(Bron: KWR)

 
 Nationaal Onderzoek Zwemouders - 2017