Morgen debatteert de Tweede Kamer over leefstijlpreventie en dit keer met de minister van VWS in plaats van een staatssecretaris, zoals de afgelopen jaren gebruikelijk was. Duidelijk is waar het gesprek over zal gaan: hoe maken we preventie structureel onderdeel van beleid én zorgen we dat het ook écht werkt? De noodzaak is groot. De zorgkosten stijgen en het aantal mensen dat onvoldoende beweegt groeit. Tegelijkertijd lijkt de doelstelling dat in 2040 75% van de Nederlanders aan de beweegrichtlijnen voldoet steeds minder realistisch. Welke ambitie is dan wél haalbaar? Het is tijd om te stoppen met denken in normen en te sturen op beweging in de brede zin.

Een andere blik
Traditioneel sturen we sterk op normen, zoals het voldoen aan de beweegrichtlijn. Een duidelijke, meetbare doelstelling, maar ook één die steeds verder uit beeld lijkt te raken. Want ligt het probleem bij het gedrag van mensen, of bij de manier waarop we meten en sturen? We kijken naar sprongen, maar waarderen de stappen onvoldoende. Zoals wij eerder al schreven, onder andere in een artikel met hoogleraar Emely de Vet, ontstaat duurzame leefstijlverandering juist door kleine, haalbare aanpassingen in plaats van strikte regels. Emely benadrukt daarmee dat het niet ligt aan een gebrek aan wilskracht, maar aan een omgeving die gezonde keuzes moeilijk maakt. De Vet pleit daarom voor verleiding in plaats van strikte regels en onderstreept dat juist kleine veranderingen het verschil kunnen maken. Dat dit inderdaad grote impact kan hebben, blijkt ook uit het onderzoek van Willem de Boer (Rijksuniversiteit Groningen) in Amsterdam en Rotterdam dat wij eerder beschreven. Een paar procentpunt meer wekelijkse sporters leidde al tot substantiële maatschappelijke besparingen, met name in kwetsbare wijken. Door gericht te investeren in lokale sport- en beweegvoorzieningen kunnen gezondheidsverschillen worden verkleind én daarmee de zorgkosten worden verlaagd. Met andere woorden: elke extra beweging telt al.
Waarom de huidige beweegrichtlijn tekortschiet
Toch blijven we beleid beoordelen op een alles-of-niets criterium – haal je de norm of niet – terwijl juist die kleine stappen de sleutel zijn tot echte gezondheidswinst. Dat deze manier van meten tekortschiet, wordt ook breder onderkend. In een artikel op SportKnowHowXL stellen onder andere Platform Ondernemende Sportaanbieders (POS), Maatschappelijke Organisaties in de Sport (MOS) en de HAN dat de beweegrichtlijn in de praktijk een te beperkte indicator is. Het model reduceert beweging tot een zwart-wit oordeel – je voldoet wel of niet – terwijl gezondheid juist in gradaties ontstaat. Daardoor blijft belangrijke vooruitgang, zoals de stap van niet bewegen naar een beetje bewegen, buiten beeld, terwijl daar juist de grootste gezondheidswinst te behalen is. Ook doet één uniforme norm onvoldoende recht aan verschillen tussen doelgroepen en kan deze zelfs demotiverend of stigmatiserend werken. Daarnaast ontbreekt context, zoals het verschil tussen gezond bewegen in de vrije tijd en fysiek belastend werk.
Lees ook: Aquasport en overgewicht: professionele inzichten uit ‘Over gewicht – In en uit balans’
Beweegvolume en beweegdelta
Daarom pleiten verschillende partijen voor een andere kijk op bewegen: niet langer alleen sturen op het halen van een vaste norm, maar op het totale beweegvolume — alle minuten beweging die mensen maken. Deze benadering sluit ook aan bij het principe ‘every move counts’ en biedt veel meer kansen. Aanvullend biedt de beweegdelta — de toename ten opzichte van een eerdere situatie — een krachtig stuurinstrument: niet de vraag ‘voldoet iemand aan de norm?’, maar ‘beweegt iemand meer dan voorheen?’. Zo wordt juist vooruitgang zichtbaar bij groepen voor wie de norm nog ver weg is. Van 10 naar 20 minuten per dag is misschien nog geen richtlijn, maar wél een verdubbeling met aantoonbare gezondheidswinst en juist daar zit de grootste winst voor gezondheid en zorgkosten. Door deze benadering verschuift de focus in beleid en interventies naar groei: waar bewegen mensen meer, waar zit de meeste winst en hoe versnellen we die? Dat vraagt om laagdrempelige, toegankelijke en doelgroepgerichte interventies die aansluiten bij het dagelijks leven en ruimte bieden voor herhaling en gewoontevorming. Samenwerking tussen sport, zorg, gemeenten en andere domeinen is daarbij essentieel. Dat juist ook een minister met de portefeuille Sport betrokken is, betekent wellicht dat bewegen nu eindelijk een cruciaal onderdeel van preventiebeleid gaat uitmaken met sport als motor voor gedragsverandering en een vitaler Nederland.
Van ambitie naar effect
Zoals hoogleraar Emely de Vet al benadrukte, vraagt gedragsverandering om kleine, haalbare stappen. En uit het onderzoek van Willem de Boer blijkt dat juist die kleine stappen al grote impact kunnen hebben. In combinatie met recente inzichten, zoals beschreven op SportKnowHowXL, waarin wordt gepleit voor sturen op beweegvolume en het waarderen van elke extra minuut beweging, ontstaat een duidelijke richting voor effectiever beleid. De discussie in de Kamer zou daarom niet alleen moeten gaan over méér preventie, maar vooral over betere preventie. Over sturen op groei, op kleine stappen en op meetbare vooruitgang, want zo ontstaat er ruimte voor echte verandering. Een vitaler Nederland is dan geen utopie. Waarbij ook een belangrijke rol is weggelegd voor het zwembad: als laagdrempelige, toegankelijke plek waar mensen – ongeacht leeftijd, niveau of achtergrond – letterlijk en figuurlijk in beweging kunnen komen. Van de eerste voorzichtige meters tot structureel beweeggedrag: elke slag telt.

