Nederland heeft een nieuw kabinet en een coalitieakkoord. Inmiddels is ook bekend dat Mirjam Sterk (CDA) minister wordt van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Maar omdat het kabinet een minderheid vormt, is het akkoord nog niet in beton gegoten: voor elk onderwerp moet in de Tweede Kamer steun worden gezocht en kan de invulling nog verschuiven. De richting is wel herkenbaar. Met de ambitie om te bouwen aan ‘de gezondste generatie ooit’ verschuift de nadruk in het gezondheidsbeleid van behandelen naar voorkomen, met sport en bewegen nadrukkelijker in dat verhaal. Wat betekent dat concreet? We vroegen het aan Tweede Kamerlid Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA).

Nog geen omslag
De ambities klinken volgens Mohandis aantrekkelijk, maar het is veel te vrijblijvend. In zijn ogen ontbreekt de echte omslag naar preventie als serieus uitgangspunt. “Terwijl er stevig wordt bezuinigd op zorg, zie ik te weinig beleid dat die druk daadwerkelijk moet verminderen. Preventie wordt genoemd, maar ik zie geen concrete maatregelen waardoor mensen ook echt worden geholpen om gezonder te kunnen leven.” Als je sport en bewegen als oplossing neerzet, moet je het volgens hem ook bereikbaar maken. “Sporten en bewegen worden niet betaalbaarder en dus ook niet toegankelijker.” Daardoor blijven juist in de groepen waar de meeste gezondheidswinst te halen is, drempels bestaan. “Dit heeft gevolgen die verder reiken dan een begroting. Het betekent meer jongeren met mentale problemen, ouderen die vereenzamen en meer mensen die in sociaal isolement terechtkomen.” De ambitie om gezondheid ‘buiten de zorg’ te versterken onderschrijft hij, maar zonder stevige keuzes vindt hij het vooral een loze belofte. Daarnaast ziet Mohandis in het coalitieakkoord niets terug over zwemveiligheid. Er ontbreekt volgens hem een duidelijke visie op zwemvaardigheid en waterveiligheid. “Dat vind ik echt te riskant. In een land waar water overal is, moet zwemveiligheid als basisvoorwaarde worden behandeld.”
In de praktijk verandert er weinig
Ook het geld dat wél wordt vrijgemaakt voor sport, stelt hem niet gerust. “Die structurele 50 miljoen euro wordt vooral ingezet via BOSA. Dat is zeker nuttig: renovatie en verduurzaming van sportaccommodaties helpen. Maar het maakt sporten en leren zwemmen onvoldoende betaalbaarder, terwijl juist het wegnemen van financiële drempels preventieve winst oplevert.” Zolang die omslag uitblijft, vreest hij dat er in de praktijk weinig verandert. Wat Mohandis tevens extra frustreert: in de Tweede Kamer zijn de afgelopen periode meerdere concrete voorstellen besproken die sport en bewegen – en ook zwemmen – toegankelijker kunnen maken. Zo nam de Kamer eerder moties aan waarin werd opgeroepen tot de uitwerking van een Sportwet, die sport structureel zou kunnen verankeren en zwembaden als essentiële voorziening beter zou borgen. “Er zijn contouren toegezegd om dat verder uit te werken, maar garanties zijn er nog niet.” Ook is in de Kamer gesproken over sportpassen voor de jeugd, zoals beschreven in ZwembadBranche #102, om deelname laagdrempeliger te maken. Daarnaast is er in de Kamer steun te horen voor het idee van een landelijke norm voor het zwemdiploma: één basisnorm waaraan verschillende diplomalijnen moeten voldoen. “Allemaal belangrijke stappen,” zegt Mohandis, “maar ik lees er helaas niets van terug in het coalitieakkoord.”
Lees ook: Van formatie naar akkoord: ook ‘Aan de slag’ met sport, bewegen en preventie?
Sportwet en zwembad als essentiële voorziening
Voor Mohandis is het duidelijk: sport en bewegen – en leren zwemmen – moeten wettelijk steviger worden verankerd. “Reden ook dat ik pleit voor erkenning van zwembaden als onmisbare publieke voorziening, essentieel voor gezondheid. Een zwembad is geen luxe van welvarende gemeenten, maar een basisbehoefte in elke gemeenschap: voor bewegen, ontmoeten, veiligheid en gezondheid.” Tevens is het dan van belang dat iedereen veilig en met plezier kan zwemmen. “Reden dat ik wil dat het basisdiploma zwemmen een gratis basisvoorziening wordt, los van de discussie over schoolzwemmen. Het uitgangspunt moet zijn dat elk kind veilig leert zwemmen, ongeacht inkomen, achtergrond of woonplaats.” Verder maakt Mohandis zich nu hard voor meer ruimte in het sport- en cultuurfonds voor kinderen met een handicap die leren zwemmen. “Omdat dat traject vaak langer duurt, schieten bestaande vergoedingen tekort. Om te zorgen dat beperkingen niet leiden tot uitsluiting, moet dit traject volledig worden vergoed.” Daarnaast wil hij dat er vaart wordt gemaakt met een landelijke norm voor het zwemdiploma, waarbinnen verschillende diplomalijnen kunnen vallen, zodat helder is wat ‘zwemvaardig’ minimaal betekent en de basis overal gelijk is.
Van woorden naar concrete maatregelen
Sport, bewegen en leren zwemmen hebben voor Mohandis de hoogste prioriteit, en dus is zijn inzet de komende periode glashelder. Omdat dit kabinet een minderheid is, ligt er ruimte om via de Tweede Kamer wél een meerderheid te bouwen structurele maatregelen die sport en zwemveiligheid daadwerkelijk toegankelijker maken. Of het lukt om die ruimte ook te benutten, zal de toekomst uitwijzen. Maar voor Mohandis is de urgentie te groot om het te laten bij het coalitieakkoord. “Als de politiek werkelijk wil bouwen aan de gezondste generatie ooit, dan moet ze durven kiezen en concrete maatregelen nemen die mensen bereiken.”

