Leren zwemmen is een complexe vaardigheid voor kinderen, en het is aannemelijk dat een goede motoriek daarbij helpt. Een pilotonderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam wees hier ook al eerder op. En dat maakt een recent onderzoek van het Mulier Instituut naar beweegstimulering bij 0-4-jarigen extra relevant voor het leren zwemmen van onze jeugd: hoe zetten gemeenten en BRC-functionarissen zich in voor bewegen bij de jongste doelgroep?
Niet structureel ingebed
Uit het onderzoek van het Mulier Instituut, uitgevoerd onder 150 gemeenteambtenaren en 109 BRC-functionarissen, blijkt dat bij de meeste gemeenten beweegstimulering voor specifiek 0-4-jarigen nog niet structureel is ingebed. Ongeveer de helft van de gemeenten (46%) besteedt hier aandacht aan; 42 procent zet in op de bredere leeftijdscategorie 0-12 jaar, zonder specifieke aandacht voor de jongste kinderen. Van de BRC-functionarissen zet slechts één op de drie zich maandelijks of vaker in voor deze doelgroep. Gemeenten die niet inzetten op deze leeftijdsgroep noemen vooral onvoldoende prioriteit in het gemeentelijk beleid en een gebrek aan financiële middelen als reden. Toch geeft ongeveer de helft van alle gemeenten aan de wens te hebben zich hier meer voor in te zetten. Er zijn nog geen specifieke cijfers voor 0- tot 4-jarigen, maar ter illustratie: 40 procent van de basisschoolkinderen voldoet niet aan de beweegrichtlijnen. Dat onderstreept de urgentie, ook voor de jongere doelgroep.
Lees ook: Heeft motoriek een voorspellende waarde voor het zwemlestraject?
Weinig samengewerkt
Opvallend is dat er op dit moment nog relatief weinig wordt samengewerkt met partijen als consultatiebureaus, jeugdgezondheidszorg en verloskundigen. Terwijl deze partijen al vroeg in contact staan met ouders en jonge kinderen en zo het belang van bewegen, en daarmee ook van (leren) zwemmen, al eerder onder de aandacht zouden kunnen brengen. Die urgentie wordt verder versterkt door de onzekere toekomst van bestaande financieringsstructuren: Sportakkoord II loopt in 2026 af zonder vervolg, waardoor de financiële middelen voor beweegstimulering beperkter worden, en ook de huidige Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC) loopt in 2026 af. Het ministerie van VWS heeft toegezegd dat er vanaf 2027 middelen beschikbaar blijven voor BRC-functionarissen, maar de precieze uitwerking hiervan is nog onduidelijk. Wat het voor gemeenten lastig maakt om voor de langere termijn te plannen.
Investeren in bewegen
Deze cijfers zijn zorgelijk, omdat de eerste levensjaren een cruciale periode vormen waarin kinderen motorische vaardigheden ontwikkelen en positieve ervaringen met bewegen opdoen. Het is ook een belangrijke periode omdat het bepalend kan zijn voor actieve gewoontes op latere leeftijd. Tevens kan het consequenties hebben voor het leren zwemmen. VU-onderzoek liet al eerder zien dat kinderen met een sterkere motorische basis de eerste fasen van het zwemleertraject, zoals watervrij worden en de eerste zwemtechnieken, merkbaar sneller doorlopen. Voor de zwembranche betekent dit dat een gebrek aan brede motorische stimulering vóór de zwemles zich mogelijk vertaalt in een langer leertraject eenmaal in het bad. Investeren in bewegen bij de jongste doelgroep is niet alleen belangrijk voor de algehele ontwikkeling van een kind, maar ook in het belang voor het leren zwemmen. Wat ook weer de waarde onderstreept van peuterzwemmen. Juist in deze levensfase, waarin kinderen motorische vaardigheden ontwikkelen en positieve beweegervaringen opbouwen, kan vroeg in aanraking komen met bewegen in het water bijdragen aan een sterkere basis voor het latere zwemleertraject.
Klik hier voor meer informatie