Dat bewegen goed is voor de gezondheid, weten we al lang. Maar hoe groot het verschil precies is — en waar beleid en voorzieningen de meeste impact kunnen hebben — dat laat nieuw onderzoek van Willem de Boer (Rijksuniversiteit Groningen) pas echt scherp zien. In opdracht van de gemeenten Amsterdam en Rotterdam werd tot op buurtniveau geanalyseerd hoe sport- en beweeggedrag samenhangt met zorgkosten en gezondheid. Dit levert niet alleen interessante cijfers op, maar vooral concrete aangrijpingspunten voor preventiebeleid én sportaanbieders.

Scherpe blik op buurtniveau
In Nederland bestaan forse sociaaleconomische verschillen in gezondheid en zorgkosten. De tien procent meest welvarende buurten hadden in 2019 gemiddeld ruim €1.000 lagere zorgkosten per persoon dan de tien procent minst welvarende buurten. Zelfs na correctie voor leeftijd en geslacht blijven die verschillen bestaan. Ook in Amsterdam en Rotterdam zijn de contrasten groot, zeker in buurten met lagere sociaaleconomische status (SES). Daarnaast laat dit onderzoek zien dat verschillen in bewegen en sportdeelname ook sterke voorspellers zijn van verschillen in zorgkosten — ook binnen vergelijkbare SES-groepen. Met andere woorden: buurten met een vergelijkbare sociaaleconomische achtergrond kunnen toch duidelijk verschillen in gezondheid en zorgkosten laten zien, afhankelijk van hoe actief de inwoners zijn.
Meer weten over de maatschappelijke waarde van zwemmen? Kom naar de sessie ‘Wat betekent een zwembad écht voor de samenleving?’ op de Zwembadbranche Dag waar Koen Breedveld en Lian Witteveen alles vertellen over het pilotonderzoek naar de maatschappelijke betekenis van het zwembad.
Gezondheidsmotor
De analyses laten daarmee overtuigend zien dat meer bewegen en sporten samenhangen met lagere zorgkosten en een betere ervaren gezondheid. Buurten waar 1%-punt meer inwoners voldoen aan de beweegrichtlijn, hebben gemiddeld €8 lagere zorgkosten per persoon en bij wekelijks sporten loopt dat verschil zelfs op tot ruim €9 per inwoner. In Rotterdam zijn de effecten nog sterker: daar kan eenzelfde toename leiden tot €21 lagere zorgkosten per persoon. Opvallend is dat het type activiteit en de doelgroep uitmaakt. In lagere SES-buurten speelt sportdeelname een grote rol bij het verkleinen van zorgkostenverschillen. In midden- en hogere SES-buurten is vooral dagelijks of wekelijks bewegen (wandelen, fietsen, zwemmen) bepalend. Daarmee bevestigt het onderzoek dat een brede aanpak nodig is: niet alleen sportverenigingen en fitnessclubs, maar ook laagdrempelige beweegvormen zijn essentieel. Zwembaden, sportverenigingen, buurthuizen en commerciële aanbieders vormen de ruggengraat van het lokale beweegaanbod. Hun rol blijkt uit het onderzoek belangrijker dan ooit. Zwembaden spelen hierbij een bijzondere rol. Zwemmen is laagdrempelig, geschikt voor vrijwel alle leeftijden, en een van de weinige sporten die mensen met beperkingen of overgewicht vaak wél kunnen doen.
Lees ook: Zwemmen als medicijn: De kracht van water voor preventie en herstel
Verschillen en kansen
Amsterdam en Rotterdam laten zien dat beleid loont, maar ook dat elke buurt anders is. Amsterdam kent buurten waar meer gesport en bewogen wordt dan je op basis van het SES-profiel zou verwachten. Dit biedt kansen om succesvolle lokale aanpakken te herkennen en breder toe te passen. Rotterdam laat zien dat sporten, ondanks soms lagere beweegcijfers, stevig kan bijdragen aan lagere zorgkosten — vooral in buurten met lagere SES. Hier kunnen gerichte sportprogramma’s, bijvoorbeeld via zwembaden in de wijk en zwemverenigingen, een sleutelrol spelen. In stadsdeel Feijenoord zijn de verschillen bijvoorbeeld groot tussen buurten met vergelijkbare sociaaleconomische kenmerken. Dat wijst erop dat de lokale sportinfrastructuur en het bereik van aanbieders het verschil kunnen maken.
Van inzicht naar actie
De scenario-analyses maken de maatschappelijke impact tastbaar. Als in Amsterdam 1% meer inwoners wekelijks zouden sporten, levert dat naar schatting €14 miljoen aan lagere zorgkosten op. In Rotterdam is dat €11 miljoen. De grootste winst zit bij de buurten met de laagste SES, waar extra sportdeelname het sterkst effect heeft. Voor aanbieders betekent dit dat elke extra deelnemer telt. Een paar procentpunt meer wekelijkse sporters kan leiden tot substantiële maatschappelijke besparingen. Dat onderstreept hoe belangrijk het is dat gemeenten, sportaanbieders en zorgpartijen samen optrekken.De resultaten bieden gemeenten en aanbieders duidelijke handvatten. Door gericht te investeren in lokale sport- en beweegvoorzieningen, zoals toegankelijke zwemprogramma’s, beweegactiviteiten voor ouderen of sportaanbod in kwetsbare wijken, kunnen gezondheidsverschillen worden verkleind én zorgkosten omlaag. Tegelijkertijd is vervolgonderzoek nodig naar de achterliggende mechanismen en naar effectieve interventies. Hoe kun je mensen duurzaam in beweging krijgen? Welke rol speelt de inrichting van buurten? En hoe kunnen sportaanbieders hun bereik vergroten in groepen waar de gezondheidswinst het grootst kan zijn?
Een krachtig beleidsinstrument
Het onderzoek van De Boer laat overtuigend zien dat bewegen en sporten meer zijn dan een gezonde gewoonte — ze zijn een krachtig beleidsinstrument. Door te investeren in lokale sportaanbieders, zoals zwembaden en verenigingen, kunnen gemeenten niet alleen de gezondheid van hun inwoners verbeteren, maar ook forse zorgkosten besparen. Voor zwembaden ligt hier een uitgelezen kans. Zij zijn vaak letterlijk en figuurlijk het laagdrempelige instappunt voor beweging, voor jong én oud. Als we die kracht strategisch benutten, kunnen we gezondheidsverschillen daadwerkelijk verkleinen.
Lees hier het hele onderzoeksrapport: Sport en bewegen en sociaaleconomische ongelijkheid in zorgkosten

