Kinderen leren niet door gedachteloos banen te zwemmen. Dat voelt misschien vertrouwd en is gemakkelijk te organiseren, maar hun brein staat uit. Ze draaien mee op de automatische piloot en daar wordt niemand beter van. Psycholoog Daniel Kahneman maakte dat al duidelijk in zijn boek Thinking, Fast and Slow. Hij beschrijft twee manieren waarop ons brein werkt: systeem 1 en systeem 2. Wat dit betekent voor de zwemles? Lees hier de column van Leone.

Systeem 1 is snel, makkelijk en lui. Daarmee doe je dingen die je al kunt zonder erbij na te denken. Lopen, tandenpoetsen, een simpele rekensom maken. Handig voor routine, maar je leert er niets nieuws van. Systeem 2 is traag, bewust en vraagt moeite. Daarin denk je na, kies je, maak je fouten en probeer je opnieuw. Vermoeiend, maar juist dát is hoe je echt iets leert.
Laat dat nou precies zijn wat kinderen nodig hebben in de zwemles: hun systeem 2 aanzetten. Als kinderen zonder aandacht banen zwemmen, gebeurt er bijna niks. Hun uithoudingsvermogen groeit iets, maar hun techniek niet. Terwijl techniek juist vraagt om bewust oefenen. Dus hoe zet je systeem 2 aan? Door kinderen te verrassen. Door opdrachten te geven die ze niet gedachteloos kunnen uitvoeren. Voorbeelden:
- Halverwege een baan een opdracht: een bal vooruitduwen of een kikkersprong maken.
- Codewoorden gebruiken: bij ‘Ajax’ duiken ze en bij ‘PSV’ maken ze een sprong.
- Rollen omdraaien: een kind bepaalt wat de rest doet.
- Tweetallen vormen: het ene kind geeft een opdracht, het andere kind voert hem uit.
Kinderen denken na, worden nieuwsgierig en zoeken hun eigen oplossing. Hun fantasie gaat aan en de techniek slijt veel beter in.
Lees ook: ‘Kikkervoeten’: heeft een kikker voeten?
Let op: alleen systeem 2 gebruiken, is niet goed. Dan laat je kinderen dingen oefenen die ze nog helemaal niet kunnen en dat leidt tot frustratie. Systeem 1 blijft belangrijk, juist voor herhaling en om vertrouwd te raken met bewegingen. De kracht zit in de afwisseling. Eerst systeem 2 activeren: een kind denkt na, oefent bewust en probeert iets nieuws. Daarna mag het terugvallen op systeem 1: herhalen, automatiseren en met vertrouwen bewegen. Zo bouw je het stap voor stap. En wat gisteren systeem 2 was, wordt morgen vanzelf systeem 1. Houd als lesgever het eigenaarschap van het kind. Jij weet waar het kind aan toe is, waar het nog mee worstelt en welke stap nu zinvol is. Je biedt niet zomaar iets aan, maar precies de oefening die past. Als een kind merkt: ‘hé, dit lukt mij’, groeit het vertrouwen. Vanuit dat vertrouwen komt plezier. Vanuit plezier komt snelheid. Zo zie je kinderen letterlijk groeien in het water. Nog iets: een fijne relatie maakt alles makkelijker. Als jij kinderen serieus neemt en waardeert wat ze bedenken, voelen ze zich gezien. Dat geeft hen zelfvertrouwen. Vanuit zelfvertrouwen leren kinderen sneller en beter. Het resultaat? Jij ervaart meer plezier in het lesgeven en het kind zwemt met meer energie en zelfstandigheid. Een win-win.
Laat kinderen nooit gedachteloos op de automatische piloot zwemmen. Activeer hun systeem 2 en wissel het slim af met systeem 1. Dit kan in het ondiepe en het diepe. Geef verrassende opdrachten, zet hun fantasie aan en kijk goed wat bij ieder kind past. Maak van een gewone zwemles een fantastische zwemles. Een les waarin kinderen sneller, veiliger en met veel plezier leren zwemmen Lessen waarvan jij als lesgever net zoveel geniet. Zet kinderen niet op de automatische piloot. Laat ze bewust oefenen, ontdekken en fouten maken. Want kinderen die nadenken, zwemmen niet alleen sneller vooruit, ze groeien ook buiten het water.
Deze column is geschreven door Leone Hamaker en verscheen eerder in ZwembadBranche #100
