Op 18 maart 2026 gaan we naar de stembus voor de gemeenteraadsverkiezingen. Voor de zwembranche is dat meer dan een democratisch moment: het kan zomaar een keerpunt worden. In nieuwe coalitieakkoorden bepalen gemeenten hoe zij omgaan met sportaccommodaties en verduurzaming. En dat is hard nodig, want het aantal zwembaden is de afgelopen jaren afgenomen, vooral in landelijke gebieden. Kunnen we het tij keren? Uit de ‘Monitor sportuitgaven gemeenten 2024 Gemeentelijke uitgaven aan sport in de periode 2017 tot en met 2024’ van het Mulier Instituut blijkt dat 76 procent van de netto sportuitgaven naar sportaccommodaties gaat. De vraag is alleen: hoe vertaalt die investering zich naar zwembaden? En welke afwegingen maken gemeenten?

Wat zeggen de cijfers?
De Monitor sportuitgaven gemeenten 2024 van het Mulier Instituut laat zien dat gemeenten jaarlijks circa 2 miljard euro aan sport uitgeven. Na aftrek van inkomsten blijft ongeveer 1,4 miljard euro aan netto-uitgaven over. Dat is na verrekening van de inflatie 6 procent meer dan een jaar eerder. Opvallend is dat 76 procent daarvan naar sportaccommodaties gaat. Met andere woorden: drie kwart van het sportbudget zit in gebouwen, installaties en exploitatie en dus in voorzieningen zoals zwembaden. Dat onderstreept hoe bepalend accommodaties zijn binnen het gemeentelijke sportbeleid. Zwembaden behoren tot de meest kapitaal- en energie-intensieve voorzieningen. Zij vragen continu onderhoud, technisch beheer en periodieke vervanging van installaties, ongeacht schommelingen in bezoekersaantallen. Tegelijk hebben zij een duidelijke maatschappelijke opdracht: zwemveiligheid, toegankelijkheid en publieke dienstverlening. De monitor laat bovendien zien dat de financiële ruimte onder druk staat. Sportuitgaven stijgen, terwijl sportinkomsten dalen. Dat vergroot het verschil tussen kosten en opbrengsten en maakt gemeenten afhankelijker van algemene middelen. En juist die middelen staan weer onder druk door oplopende uitgaven in onder meer zorg en jeugdhulp. Op papier blijft sport een stabiele begrotingspost, maar in de praktijk worden keuzes scherper. Investeringen worden uitgesteld, prioriteiten verschuiven en de maatschappelijke waarde van voorzieningen moet nadrukkelijker worden onderbouwd.
Toch neemt het aantal zwembaden af
Uit ander onderzoek blijkt ook dat het aantal zwembaden in Nederland daalt. Er sluiten meer baden dan er openen, vooral in landelijke gebieden. Veel zwembaden dateren uit de jaren zeventig en tachtig en naderen het einde van hun technische levensduur. Renovatie of nieuwbouw vraagt aanzienlijke investeringen. In kleinere gemeenten, met minder gebruikers en beperkte begrotingsruimte, kan de afweging dan financieel worden ingestoken. Investeringen worden dan uitgesteld, exploitatiekosten lopen op en de kans op sluiting neemt toe. Verduurzaming biedt perspectief op lagere energielasten en toekomstbestendige exploitatie, maar vraagt op korte termijn wel substantiële middelen. Zonder duidelijke politieke prioriteit wordt eerder gekozen voor concentratie of beëindiging dan voor vernieuwing. Juist in landelijke gebieden zijn de gevolgen dan groot. Sluiting betekent langere reistijden voor zwemles, minder toegankelijkheid voor kwetsbare doelgroepen en een verschraling van de lokale infrastructuur voor gezondheid en ontmoeting. Daarmee raakt de afname van zwembaden direct aan veiligheid, kansengelijkheid en leefbaarheid.
Lees ook: Onderzoek zwembaden: aantal neemt af, vooral buiten de stad
Wat moet er gebeuren?
De gemeenteraadsverkiezingen vormen het moment waarop deze ontwikkeling kan worden gekeerd. De kernvraag voor de komende jaren is niet alleen hoeveel geld er naar sport gaat, maar welke visie gemeenten hebben op hun zwembaden. Zolang zwembaden primair als kostenpost worden benaderd, blijft krimp een logisch gevolg. Worden zij daarentegen gezien als publieke infrastructuur voor zwemveiligheid, gezondheid, participatie en sociale samenhang, dan vraagt dat om gerichte investeringen en een langetermijnstrategie, inclusief verduurzaming als middel om structurele betaalbaarheid te borgen. Waarbij cruciaal is dat ook gemeenten zich realiseren wat een zwembad betekent voor een gemeente. Wat het kost om het niet te hebben. En hoe verduurzaming bijdraagt aan continuïteit op lange termijn. Door dat gesprek te blijven voeren met lokale politiek en het bestuur kan 18 maart 2026 daadwerkelijk een keerpunt worden.
Lees hier meer over ‘Monitor sportuitgaven gemeenten 2024 Gemeentelijke uitgaven aan sport in de periode 2017 tot en met 2024’

