Zwembadkaartje kost gemiddeld € 6,26, maar stijgt minder hard dan de inflatie

Een los bezoek aan een openbaar zwembad kost een volwassene in Nederland gemiddeld € 6,26. Dat is meer dan twee jaar geleden, maar als je de inflatie meerekent, is zwemmen juist 2,4 procent goedkoper geworden. Dat blijkt uit de nieuwe Toegangsprijsmonitor 2025/2026 van het Mulier Instituut, uitgevoerd in samenwerking met de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en Fontys Hogeschool. Opvallend, want de exploitatie van zwembaden staat nog steeds onder druk.

Duurder op papier, goedkoper in de praktijk

De onderzoekers verzamelden eind 2025 de tarieven van 550 van de 571 openbare zwembaden in Nederland, een dekking van 96 procent. Abonnementen en lidmaatschappen vallen buiten de vergelijking. In 2023/2024 kostte een los kaartje gemiddeld € 6,01. Nu is dat € 6,26, een stijging van 4,2 procent. De inflatie lag in 2024 en 2025 allebei op 3,3 procent. Corrigeer je daarvoor, dan is een los zwembadbezoek 2,4 procent goedkoper geworden. Dat is een omslag: bij de vorige meting stegen de zwembadprijzen nog 2,9 procent harder dan de inflatie.

Bij de badenkaart zie je hetzelfde patroon, maar minder sterk. Een bezoek met badenkaart kost gemiddeld € 5,23, tegen € 4,91 twee jaar geleden. Dat is 6,5 procent meer, maar na inflatie blijft er een daling van 0,2 procent over. In de praktijk dus vrijwel gelijk. Het voordeel van de badenkaart wordt wel kleiner. Met een badenkaart betaal je nu gemiddeld € 1,03 per bezoek minder dan voor een los kaartje, 16,5 procent. Twee jaar geleden was dat nog 18,3 procent.

Wie exploiteert, bepaalt mee de prijs

Het grootste prijsverschil zit in wie het bad runt. Het duurst zijn zwembaden met een commerciële exploitant (een bv of nv): gemiddeld € 7,11 voor een los kaartje. Bij een stichting is dat € 5,68 en bij de gemeente, als die het bad zelf exploiteert, € 5,28. Bijna twee euro verschil dus. Dat verschil weegt zwaar, want de meeste zwembaden worden niet door de gemeente zelf geëxploiteerd. Volgens eerder onderzoek van het Mulier Instituut geldt dat voor 82 procent van de openbare baden. Bij 48 procent is een bv of nv de exploitant. De onderzoekers noemen twee mogelijke verklaringen voor het prijsverschil. Een bv of nv heeft een winstoogmerk, terwijl een gemeente meer ruimte heeft om een tarief te vragen dat de kosten niet dekt. Ze benadrukken wel dat er meerdere oorzaken kunnen meespelen.

Lees ook: Exploitatievorm zwembaden: wat betekent dit voor toegankelijkheid, financiën en duurzaamheid?

Type bad en woonplaats

Ook het type bad maakt uit. Openluchtbaden zijn het goedkoopst met € 5,64. Overdekte baden zitten daar met € 6,49 zo’n 85 cent boven. Combibaden, met zowel een binnen- als een buitenbassin, zijn het duurst: € 6,91. Een zwembad met een recreatiebassin vraagt gemiddeld € 6,79, een bad zonder € 6,01. Of bezoekers bereid zijn een meerprijs te betalen voor beleving, is een vraag die in de branche al langer speelt. Daarnaast telt de plek. In niet- tot weinig stedelijke gemeenten kost een los kaartje gemiddeld € 6,04, in matig tot zeer sterk stedelijke gemeenten ongeveer € 6,50. In gemeenten waar het gemiddelde inkomen boven het landelijk gemiddelde ligt, is een los kaartje 7 procent duurder. In gemeenten die per inwoner bovengemiddeld veel aan sport uitgeven, is de entree juist lager: € 6,02 tegenover € 6,43.

Druk op de exploitatie, (nog) niet op de kassa

Zwembaden zijn grote energieverbruikers en daardoor gevoelig voor schommelingen in de energieprijzen. Daarnaast is er onzekerheid over de gemeentelijke sportbegrotingen. Grootschalige bezuinigingen op sport zien de onderzoekers vooralsnog niet, maar gemeenten maken zich wel zorgen over een mogelijk financieel ravijnjaar. Toch lijkt die druk volgens de onderzoekers (nog) niet door te werken op de toegangsprijzen. Een mogelijke verklaring is dat exploitanten hun inkomsten elders zoeken, bijvoorbeeld via hogere prijzen in de horeca, abonnementen of huur. Of dat echt zo is, blijkt niet uit dit onderzoek.

Lees ook: Sportuitgaven in 2025: kansen én knelpunten voor de zwembadsector

Betaalbaarheid blijft intussen een aandachtspunt. Uit publieksonderzoek dat ZwembadBranche in 2024 besprak, bleek dat ongeveer een derde van de bezoekers en afhakers de zwembadtarieven te hoog vindt. Volgens de monitor Consumentenuitgaven aan sport 2025 vindt 55 procent van de Nederlanders vanaf 12 jaar sport in het algemeen te duur. Ook de contributies voor senioren bij zwemverenigingen stegen minder hard dan de inflatie, blijkt uit de gelijktijdig verschenen Contributiemonitor 2025/2026. Dat gaat over verenigingscontributies, niet over de entree van het zwembad.

Rek in de tarieven?

Houd er rekening mee dat het om ongewogen gemiddelden gaat: een rustig bad telt even zwaar mee als een druk bad. De volgende meting, over het seizoen 2027/2028, verschijnt naar verwachting in 2028. Dan wordt duidelijk of er nog rek zit in de tarieven of dat de kassa alsnog moet meebewegen.

Meer weten? Lees hier het hele rapport Toegangsprijsmonitor 2025/2026


advertentie